Historisch Bekeken (38) -17/9/2005

Oh Dennenboom. Wat zijn je takken wonderschoon

Kerst is voor veel mensen een moment van bezinning, maar misschien moet het in deze tijd meer een moment van integratie zijn. Want het kerstfeest zoals dat nu gevierd wordt, is een bijzondere mengelmoes uit het verleden: met christelijke en heidense invloeden, met Germaanse, Keltische en Scandinavische elementen, met Engelse en Amerikaanse invloeden en met een behoorlijke inbreng vanuit de commercie.

Kaarsjes
Vroeger werd bij ons op de lagere school, op de laatste dag voor de vakantie, altijd op de gebruikelijke westerse, christelijke manier kerst gevierd. Althans, dat dachten we. Dagenlang werden in de klas daarvoor de voorbereidingen getrokken. De mazzelkonten, of beter gezegd de lieverdjes van de juf, mochten de kerstboom in de hal van de school optuigen. Dat was nog vrij eenvoudig werk, want er werden alleen wat kerstballen en een piek in geplaatst en enkele echte kaarsjes. Maar die werden in verband met het brandgevaar nooit aangestoken. En er lagen ook absoluut geen pakjes onder die boom. Die gewoonte is pas veel later vanuit Groot-Brittannië en Amerika over komen waaien. Wel mocht iedere leerling een eigen kaarsenstandaard maken. Eerst kon je dan een ster uit een stuk karton knippen en die rood kleuren. Daarop werd een luciferdoosje, dat je zelf van huis meegenomen moest hebben, op de ster geplakt. In het doosje werd dan een gat gemaakt waarin je je kaarsje kon zetten. Een klein kaarsje van hooguit tien centimeter, want de grotere kaarsen waren gewoon te duur. Aan het eind van de dag werd het klaslokaal verduisterd, ging het licht uit en werden de kaarsjes aangestoken. In die mystieke sfeer las de juf dan een kerstverhaal voor. Dat moest wel snel, want de kaarsjes waren in ongeveer een halfuur uitgebrand.

038 Een witte kerst
Foto Collectie fam. Keizer-Hartog

Heidens
Kaarsen en zeker niet de uitbundige feestverlichting van tegenwoordig horen helemaal niet bij het kerstverhaal. Binnen de natuurgodsdiensten en in veel oude culturen werd vroeger vaak het midwinterfeest gevierd met veel licht om de duisternis te verdrijven. En de kerstboom met zijn groenblijvende takken stond (en staat) symbool voor het leven, zoals dat ook in de wintermaanden doorging. Tot voor de Tweede Wereldoorlog was de kerstboom dan ook taboe in veel katholieke en orthodox-protestantse gezinnen. De glimmende kerstballen die in de boom werden gehangen, moesten vooral de boze geesten wegjagen. In de laatste decennia is de invloed van de commercie steeds sterker geworden. Zo is de kerstkaart bedacht door de Britse zakenman Henry Cole, eerst voor eigen gebruik en daarna om er grof geld aan te verdienen. En de kerstman met zijn witte baard, rode kleding, rendieren en een arrenslee is ooit bedacht door het reclamebureau van Cola Cola. Veel van die hedendaagse kerstgewoonten zijn in de loop van tijd als vanzelfsprekend in onze westerse cultuur opgenomen. Soms gebeurt dat als gevolg van een domme fout. Zo zingen we nog steeds over de takken van de dennenboom, maar onze kerstboom is in werkelijkheid een sparrenboom. Een spar heet in het Duits Tannenbaum en het lied is dan ook oorspronkelijk in 1824 geschreven door J.A.Z. Zarnack en E. Anschütz. Een slordige vertaler zorgt nu na 180 jaar nog steeds voor veel verwarring. Niets is wat het werkelijk lijkt. Niets lijkt op wat het werkelijk is.

Deze tweewekelijkse rubriek is eerder verschenen in het Noord-Amsterdams Nieuwsblad en het Zaans Stadsblad en wordt verzorgd door Rob Veenman van de Oudheidkamer Oostzaan, bereikbaar via r.veenman@vpcconsult.nl en via postbus 558, 1440 AN Purmerend. Tips, verhalen, meldingen over historische activiteiten en dergelijke zijn van harte welkom.

Historisch Bekeken (37) -10/9/2005

Louw, louw, trek aan het touw

Het “Louw Louw”-lied werd vroeger veel in de regio ter gelegenheid van de kermis gezongen. Louw, louw. Trek an ’t touw. Over een week is ’t kerremis. Spaar je centjes in je broek. Koop je een lekkere oliekoek. De kinderen namen dan een koetouw (een touw waarmee een koe vastgezet werd) mee, bonden alle touwen aan elkaar, hielden het lange touw vast en liepen zo zingend door het dorp. In verschillende dorpen zullen ongetwijfeld verschillende versies van het lied gezongen zijn. Op zich is het leuk die verschillen eens in kaart te brengen. Als u dan ook een andere versie van het lied kent of iets kunt vertellen over het gebruik rondom het lied of over de achtergrond ervan, dan zou ik (en anderen) dat graag van u vernemen.
Over het “Louw louw”-lied en over de kermis in Oostzaan kunt u overigens meer lezen in Wat ons nag te binne skoot, het Geïllustreerd Oostzaans Woordenboek. Voor € 14,95 is dat te verkrijgen in de boekhandel (ISBN 90.808060.2.1).

Boekenoogen
Dr. G.J. Boekenoogen heeft in zijn “Zaanse Volkstaal” uit 1821 enige achtergronden bij het lied aangegeven, maar echt concreet is hij helaas niet. Het woord Louw zou kunnen verwijzen naar de mannennaam Louw of Laurentius of naar de heilige Sint Laurentius. Maar het woord zou ook kunnen verwijzen naar lauwen. In het Middelnederlands betekent dit grijpen of beetpakken. Helaas is er volgens Boekenoogen geen enkele relatie te vinden tussen de heilige Laurentius en kermissen en is het woord lauwen nooit in Noord-Holland in gebruik geweest. Daarom geeft Boekenoogen de meest simpele verklaring voor het gebruik van het woord louw: men moest gewoon een woord hebben dat op touw rijmt. Overigens is het Zaanse woordenboek van Boekenoogen enige tijd geleden opnieuw in een herdruk verschenen.

37 Kermis Foto Collectie M. Danser-Schaft

Steile wand
Zelf heb ik het “Louw louw”-lied nooit gezongen, maar de kermis heeft in mijn jeugd wel een belangrijke rol gespeeld. Ik ben geboren en opgegroeid op de Prins Hendrikstraat in Zaandam, vlakbij de Burcht, het grote plein waar ieder jaar in september een grote kermis wordt gehouden. De kermis van nu is absoluut niet meer te vergelijken met de kermis van vroeger. Niet alleen de zweefmolen en de rups is verdwenen, maar ook de steile wand en de bokstent, het lunapark en de dikke dame. Het waren tenten waar de voorstellingen zowel voor als in de tent plaatsvonden. De spreekstalmeesters en de artiesten gaven voor de tent een staaltje van hun kunnen weg en zo probeerden zij de bezoekers in de tent te lokken. Iedere avond ging ik dan ook wel even op de kermis kijken, want ook buiten de tenten was er altijd wel wat te beleven. Vooral de bokstent trok altijd mijn belangstelling, terwijl ik mij toch niet echt een gewelddadig persoon voel. Maar de spreekstalmeester van de bokstent had altijd de opdracht om tegenstanders voor zijn boksers en worstelaars te vinden. En iedere avond bood hij de liefhebbers weer roem, glorie en geld als zij de boks- of worstelpartij wisten te winnen. Bij gebrek aan echte waaghalzen waren er ook altijd deelnemers voor een bokspartij de gewoon bij de bokstent hoorden. Als dagelijkse bezoeker wist je dan al snel wie er bij de show hoorden en wie echte tegenstanders waren.

Deze tweewekelijkse rubriek is eerder verschenen in het Noord-Amsterdams Nieuwsblad en wordt verzorgd door Rob Veenman van de Oudheidkamer Oostzaan, bereikbaar via r.veenman@vpcconsult.nl en via postbus 558, 1440 AN Purmerend. Tips, verhalen, meldingen over historische activiteiten en dergelijke zijn van harte welkom.

Schoolfoto’s uit de vijftiger jaren – 6/9/2005

Op onderstaande links staan schoolfoto’s van de Kerkbuurtschool:
1959?
1959

Dit zijn recent geplaatste foto’s, maar op schoolbank.nl vindt u nog veel meer schoolfoto’s van de Kerkbuurtschool die daar door ons zijn neergezet.
Als we namen weten en/of jaartallen worden ze vermeld.
Als ze ontbreken, horen we het graag van u.

Historisch Bekeken (actueel) -29/8/2005

Mokumers, galgenzagers en doppenhokkers

Vroeger hadden de inwoners van iedere stad of dorp wel een bijnaam, vaak gerelateerd aan de werkzaamheden in de streek. Zaandammers worden galgenzagers genoemd, hoogstwaarschijnlijk omdat in vroeger jaren vele houtzaagmolens er hun werk deden. En Amsterdammers zijn en blijven Mokumers, een woord dat afkomstig is van het Jiddische woord Mokum dat plaats of stad betekent. Korte tijd geleden meldde iemand zich bij de Oudheidkamer Oostzaan met de vraag of wij de bijnaam ‘doppenhokker’ als scheldnaam voor Oostzaners kenden. Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat de meesten van ons er nog nooit van hadden gehoord. Een zoektocht was dan ook het gevolg.

Pelmolens
In de Zaanstreek hebben meer dan honderd pelmolens gestaan. In eerste instantie pelden zij de gerst tot gort en later werd er rijstkorrels van hun doppen ontdaan. Bij dat pellen werden de gerstkorrels langs een blikken plaat met uitsteeksels gehaald, waardoor het buitenste laagje werd verwijderd. Het eerste afpelstel van de gerst, grotendeels doppen, werd in de waaierij uitgewaaid en kwam in het doppenhok terecht. Dit afval, het relmeel, was een minderwaardig veevoer omdat er veel verontreinigingen in zaten. Na de tweede keer pellen ontstond pelmeel, een uitstekend veevoer. En na de derde keer pellen ontstonden twee producten: het ronde of parelgort in korrelvorm en het parelmeel dat ook voor menselijke consumptie geschikt is. De doppenhokken van de pelmolens waren dan ook gevuld met afval dat als veevoer werd gebruikt. En ongetwijfeld zullen die doppenhokken vaak door Oostzaners leeggehaald zijn. Dat zou de bijnaam ‘doppenhokker’ voor Oostzaners goed kunnen verklaren.

0516 Pelmolen De Peereboom in 1850 verbrand

Wintermelkers
De meeste Amsterdammers waren in de achttiende en negentiende eeuw voor hun eten afhankelijk van de tuinders en boeren rondom de stad. In Waterland en Zaanstreek leverden de meeste boeren hun melk in Amsterdam af. De veehouders in Oostzaan hadden daarbij gekozen voor een slimme aanpak: zij waren wintermelkers omdat de prijs van melk in de winter veel hoger was dan in de zomer. De boeren die hun melk vooral in de zomer afleverden, gaven hun koeien vooral vers gras te eten. Voor de Oostzaanse wintermelkers was dat onmogelijk. Zij voedden hun beesten vooral met hooi en met krachtvoer, afval afkomstig van de Zaanse molens: lijnoliekoeken afkomstig van de oliemolens, zemelen afkomstig van de stijfselmakerijen en relmeel, afkomstig uit het doppenhok van de pelmolens.

Informatie
Tot nu hebben we één persoon gevonden die het woord ‘doppenhokker’ kent. Zijn grootvader vertelde dat er vroeger veel gerstafval bij de molens met schuiten werd opgehaald en dat dit later aan de beesten werd gevoerd. Dit gerstafval bevatte veel doppen. Ook kon deze bron melden dat Oostzaners vroeger wel eens voor ‘doppenhokkers’ werden uitgescholden. Maar één bron is ‘geen’ bron. Daarom zijn we op zoek naar mensen uit Amsterdam-Noord, Waterland en de Zaanstreek die ons meer kunnen vertellen over dit scheldwoord. Wij stellen uw bijdrage per post of per e-mail bijzonder op prijs. Zo kunnen we historisch verantwoord schelden. Want scheld- en bijnamen zijn van alle tijd.

Deze tweewekelijkse rubriek wordt verzorgd door Rob Veenman van de Oudheidkamer Oostzaan, bereikbaar via r.veenman@vpcconsult.nl en via postbus 558, 1440 AN Purmerend. Tips, verhalen, meldingen over historische activiteiten en dergelijke zijn van harte welkom.

Historisch Bekeken (36) -25/8/2005

36 – Op visite bij Napoleon

Als je in het buitenland op vakantie bent, dan ga je op zoek naar bijzondere gebouwen, mooie kastelen en sfeervolle kerken. Maar in je eigen land ga je veelal voorbij aan de bijzondere plekken. Zo ken ik de Pyramide van Austerlitz bij Zeist alleen uit de verhalen en uit de fotoboeken van mijn ouders, maar ben ik er zelf nooit geweest. In de jaren ’30 fietsten mijn ouders geregeld naar de familie naar Zeist, een fietstochtje van ongeveer 75 kilometer. En tijdens zo’n familiebezoek moest er ook wel een bezoek gebracht worden aan de grote toeristische trekpleister in de buurt: de Pyramide van Austerlitz, met speeltuin en uitspanning. De foto’s in het familiealbum getuigen er nog van, want een bezoek aan zo’n bijzondere plaats moest wel op de gevoelige plaat vastgelegd worden.

Theebeurs
De bovenstaande foto van de speeltuin bij Austerlitz werd mij toegezonden door mevrouw Goede uit Landsmeer. Maar in eerste instantie reageerde zij op een eerder stukje in deze rubriek en zo heeft zij mijn historische kennis van allerlei alledaagse dingen weer bijgespijkerd. Mijn grootmoeder had een “theemuts” die uit twee helften bestond. Door het haakje bovenop los te knippen en de twee helften van elkaar te duwen, kon je de theepot warm opbergen. Ik weet nu dat zo’n apparaat een “theebeurs” heet.

36 – Austerlitz
Foto collectie mevr Goede

Napoleon
De foto van Austerlitz is trouwens heel actueel. Enkele weken geleden vierde het monument zijn tweehonderd jarige bestaan. In 1804 liet generaal Marmont de piramide bouwen als eerbetoon aan zijn vriend en voorbeeld Napoleon Bonaparte. Overigens schrijven we tegenwoordig “piramide” in plaats van het ouderwetse “pyramide”. Ook de taal ontwikkelt zich constant. Van de piramide van 1804 is weinig overgebleven. Van oorsprong was het een aarden piramide met daarop een houten obelisk van 13 meter. Na het vertrek van de Franse troepen begon het monument al snel in verval te geraken. In 1808 verdween de houten obelisk dan ook en pas in 1894 werd er een stenen obelisk op de piramide geplaatst.

Schoolreisjes
In het begin van de twintigste eeuw begon de “Pyramide van Austerlitz” zijn carrière als grote trekpleister voor schoolreisjes, dagtripjes voor de ouden-van-dagen en andere groepsreizen. Er is tenslotte een tijd geweest dat een ééndaagse trip het hoogtepunt van het jaar vormde. Vele duizenden kinderen uit Amsterdam en Utrecht zullen in de loop van de jaren de piramide beklommen hebben. In 1910 is het zo druk geworden bij de piramide dat er een houten gebouwtje voor de kaartverkoop bij de entree gebouwd wordt. In de afgelopen periode is de piramide met het gehele bos erom heen opnieuw gerenoveerd en is de piramide met de obelisk erop weer goed zichtbaar geworden. Maar het zal nu niet echt meer een trekpleister voor schoolreisjes zijn. Nu zullen vele bezoekers de piramide opnieuw bezoeken als herinnering aan de schoolreisjes van vroeger.

Deze tweewekelijkse rubriek is eerder verschenen in het Noord-Amsterdams Nieuwsblad en wordt verzorgd door Rob Veenman van de Oudheidkamer Oostzaan, bereikbaar via r.veenman@vpcconsult.nl en via postbus 558, 1440 AN Purmerend. Tips, verhalen, meldingen over historische activiteiten en dergelijke zijn van harte welkom.

Klaas Compaen – 24/8/2005

Zo waar, bijna een hele dag zonder computer, morgen regent het weer, dus vandaag een dagje sight see-en in mijn oude geboortestad Amsterdam. Gewoon even de toerist uithangen en de stad bekijken alsof je in het buitenland bent.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en Carla had een verrassing in petto. Zwervend over de grachten, zat er toch een patroon in en we belandden, niet geheel toevallig, op de Raamgracht. “Kijk”, zei ze en ik keek.
Thai Specialiteiten Restaurant KLAAS COMPAEN stond er met grote letters op de gevel.
Nou, daar wil je natuurlijk het fijne van weten, de eigenaar aangesproken, jawel een Thai.

placemat Compaen
placemat Compaen

Hij gaf me een placemat mee, want daar stond “alles” op.

Leuk verhaal, maar wie is deze Klaas?
Niet de onze, de data kloppen al zo niet.
Had onze Claes een naam- en tijdgenoot?
Is deze Klaas “geleend” en “aangepast” om een mooi verhaaltje kwijt te kunnen?
Wie brengt licht in deze duistere zaak, want de suggestie wordt hier gewekt dat de schat van COMPAEN gelegen was in zijn recepten en niet in het goud.
Als dat waar is kunnen we stoppen met zoeken en beter een keer lekker uit eten gaan, bij de Thai misschien?

Turf steken in Oostzaan – 18/8/2005

Nieuwe technieken brengen nieuwe mogelijkheden binnen bereik.
We denken daarbij aan de manier die nu al gebruikt wordt bij RTV -NH.
Oude amateurfilms tot leven gebracht.

De afleveringen van Super 8 zijn te bekijken met de latere versies van de RealPlayer. Deze is gratis te downloaden vanaf de website van Real.
Vanwege het formaat waarin deze filmpjes ter beschikking staan is er geen andere mogelijkheid, met alleen de mediaplayer van Windows lukt het dus niet.

Als voorbeeld: Turf steken in Oostzaan in 1959
Oostzaner Jan de Jongh keerde in 1959 na een vijfjarig verblijf in Indonesië terug naar zijn geboortegrond en zag deze opeens met hele andere ogen. Hij richtte zijn camera op het plaatselijke boerenleven waar iemand bijvoorbeeld nog zijn eigen turf maakte.

Voor de zomer is de audio/video werkgroep, een nieuw initiatief van de oudheidkamer, van start gegaan. Zij die daarin een rol willen/kunnen spelen, worden van harte uitgenodigd dit te doen. Zij kunnen zich rechtstreeks aanmelden bij Piet Roels

Vooruit lopend geven we aan hen, die nog oude films in de kast hebben liggen alvast de volgende tips:
1. Bewaar uw oude films op die plaats binnen uw huis waar de temperatuur het minst schommelt, ook een groot verschil in luchtvochtigheid is funest.
Niet in de kelder, daar is het te vochtig.
Niet op zolder, want daar zijn de verschillen in temperatuur veel te groot.
2. Vermijd een plek dicht bij de centrale verwarming.
3. Leg de films plat neer bij voorkeur in een houder.
Staan ze rechtop ontstaat er namelijk te veel druk op de onderste windingen waardoor een ongelijkmatige veroudering ontstaat.

Historisch Bekeken (35) -18/8/2005


35 – Op de plukkist

Oostzaan, Landsmeer en Den Ilp zijn eeuwenlang dorpen van kippenslachters en eendenhouders geweest. Maar tijden veranderen. De laatste grote kippenslachterij is ondertussen vertrokken naar Barneveld, veel kippenhokken en eendenschuren zijn gesloopt en de plukkist is al jarenlang niet meer in gebruik.

Slachten
‘Hoe slacht je een kip?’ Vroeger was dat een simpele vraag. Je neemt een grote kist met de opening naar boven, legt daar een plank overheen en je gaat op die plank zitten. Dan pak je de kip bij z’n poten en z’n vleugels en slaat haar met de kop tegen de kist. Maar je kunt ook met een knuppeltje een klap op de kip z’n kop geven. Vervolgens snij je de strot van de levenloze kip door en laat je het bloed in een emmer lopen. Gezeten op de plukkist pluk je daarna de kip en laat je de veren in de kist vallen. Na het pluisteren en blakeren en het verwijderen van de ingewanden kunnen de kippen bij de poelier afgeleverd worden. Veel kippen werden vaak ook direct door de kippenboeren zelf in Amsterdam uitgevent, met een mand aan de arm of later met de transportfiets.

Keuringsdienst
Tegenwoordig kun je je een dergelijke werkwijze niet meer voorstellen. Dierenbescherming, Keuringsdienst van Waren (die tegenwoordig ook alweer anders heet) en de milieu-inspectie staan tegenwoordig klaar om allerlei regelingen en verordeningen te controleren en om boetes op te leggen. Een aantal jaren geleden heb ik eens uitgezocht met hoeveel regelingen een gemiddelde agrariër rekening moet houden. Dat waren er toen bijna twee duizend en het aantal is in de loop van de jaren alleen maar toegenomen. De huidige situatie is misschien niet ideaal, maar vroeger waren er natuurlijk ook misstanden. De arbeidsomstandigheden waren belabberd en met de voedselkwaliteit werd veel gerommeld. Maar toch waren de sociale verhoudingen veel sterker en hechter dan nu.

35 Op de plukkist.
Foto Collectie M. Danser-Schaft

Eigen taal
Pluisteren en blakeren, kallekeire en eire garen waren in die tijd normale woorden waarvan iedereen de betekenis kende. En die betekenis is nu nog op te zoeken in ‘Wat ons nag te binne skoot’, het Geïllustreerd Oostzaans Woordenboek. Met de betekenis van meer dan 1.500 woorden en circa 150 uitdrukkingen en met vele persoonlijke verhalen en fraaie foto’s geeft het woordenboek een mooi sfeerbeeld van het dagelijks leven voor de Tweede Wereldoorlog. Het boek kost € 14,95 en is in de boekhandel te verkrijgen (ISBN 90.808060.2.1). De kippenplukkers gebruikten niet alleen dialectwoorden, maar ze hadden ook een aparte manier van praten. De plukkers zaten de hele dag bij elkaar op hun plukkist en, terwijl hun handen het werk deden, hadden ze alle tijd voor een goed gesprek. En hoogstwaarschijnlijk uit verveling gingen vele kippenplukkers daarom achterste voren praten. ‘Naa effe pik eid feeg’ zal vaker geklonken hebben dan ‘Geef die kip effe aan’. Veel plukkers konden door de dagelijkse oefening met een enorme snelheid achterste voren praten en zo anderen van hun onderlinge gesprekken uitsluiten.

Deze tweewekelijkse rubriek is eerder verschenen in het Noord-Amsterdams Nieuwsblad en wordt verzorgd door Rob Veenman van de Oudheidkamer Oostzaan, bereikbaar via r.veenman@vpcconsult.nl en via postbus 558, 1440 AN Purmerend. Tips, verhalen, meldingen over historische activiteiten en dergelijke zijn van harte welkom.